Pad Mariënhage


Frishevig volgroen,
stuwende sapstromen,
gevuld, vervuld, verzadigd.

Uiteen, bijeen.
Verlatend gebladerte,
hiaten in de kern.

Morsig vaalgroen,
roest op de randen,
geel vanuit de nerf.

Volmaakt bescheiden
knokige bast.
Buitelende vellen
vallen als een oude huid,
zwicht voor nieuw leven.